< dat zij iets wil doen > 62
< goed> 1
< goede> 1
< hij ziek is> 1
< iets te doen > 2
< iets te moeten doen > 5
< iets te willen doen > 6
< om iets te doen > 123
< rekenen> 1
< veel> 2
<1948> 1
<Aurora> 1
<Philppot> 1
<al te> 1
<alle> 1
<als dat waar is> 2
<als een clown> 1
<ander> 2
<argumenten> 1
<bestrijden> 1
<daar> 10
<dat dat waar is> 5
<dat dat zo is> 6
<dat het goed gaat komen> 1
<dat hij ziek werd> 1
<dat zij iets gaat doen> 12
<de duivel> 1
<de uitslag> 1
<dik> 1
<dit gebeurt> 1
<dit> 1
<drieën> 2
<duur> 1
<er> 1
<fietsen> 1
<flink> 3
<goed> 15
<goede> 2
<hen> 3
<het> 1
<hij weggaat> 1
<hij> 2
<hoe kan dit nou> 2
<iets na te gaan> 1
<iets te doen> 1
<iets te moeten doen> 2
<koninklijke> 1
<leven> 1
<lopen> 23
<makkelijk> 2
<mindere> 1
<naar huis> 2
<nu> 2
<of dat waar is> 1
<of dat zo is> 1
<om dit te mogen> 1
<om iets te doen > 1
<om iets te doen> 28
<om iets te gaan doen> 2
<personen> 1
<raar> 2
<schreeuwen> 1
<slecht> 6
<snel> 3
<staan> 1
<stevig> 1
<taart> 1
<toen> 1
<treurig> 1
<veel> 7
<vervallen> 1
<vreemd> 2
<wat er aan de hand is> 1
<werken> 3
<zij> 25
<zijn> 7
<zo> 1
zal+indruk+op+maken, 2:
	iemand zal 0een  L:indruk OIA:op iemand DO:maken
	iemand zal L:indruk OIA:op iemand DO:maken
zal+idee+hebben, 1:
	iemand zal ^geen L:idee BE:hebben
	iemand zal 0een L:idee BE:hebben
zal+zin+hebben, 1:
	iemand zal  L:zin BE:hebben
	iets zal L:zin BE:hebben
zal+hout+snijden, 1:
	iets zal hout snijden
	iets zal ^weinig hout snijden
zal+laten+vallen, 2:
	iemand zal iemand laten vallen
	iemand zal iets laten vallen
zal+laten+zitten, 2:
	iemand zal iemand laten zitten
	iemand zal iets laten zitten
zal+cadeau+doen, 3:
	iemand zal iemand ^niet iets cadeau doen
	iemand zal iemand iets cadeau doen
zal+onder+stoelen+of+banken+steken, 2:
	iemand zal iets ^niet onder stoelen of banken steken
	iemand zal ^niet onder stoelen of banken steken <dat zij iets gaat doen>
zal+uit+zijn, 2:
	iemand zal  <duur> uit zijn
	iemand zal uit iets zijn
zal+onder+zitten, 2:
	iemand zal onder iets zitten
	iemand|iets zal onder <de uitslag> zitten
zal+op+zichzelf+staan, 1:
	iemand zal op zichzelf staan
	iets zal op =zichzelf staan
zal+de+geest+geven, 1:
	iemand zal de geest geven
	iets zal de geest geven
zal+er+bij+kunnen, 1:
	iemand zal er bij kunnen
	iemand zal er ^niet bij kunnen
zal+van+mening+zijn, 2:
	iemand zal L:[van mening] BE:zijn <dat dat waar is>
	iemand zal L:[van mening] BE:zijn <dat zij iets gaat doen>
	iemand zal iets L:[van mening] BE:zijn
zal+van+oordeel+zijn, 2:
	iemand zal L:[van oordeel] BE:zijn <dat dat waar is>
	iemand zal iets L:[van oordeel] BE:zijn
zal+in+beslag+nemen, 2:
	iets zal iets L:[in beslag] CBE:nemen
	iemand zal iets L:[in beslag] CBE:nemen
zal+indruk+geven, 2:
	iemand zal 0de L:indruk GV:geven < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:indruk GV:geven < iets te willen doen >
	iemand zal 0een <goede> L:indruk GV:geven
zal+indruk+wekken, 2:
	iemand zal 0de L:indruk CBE:wekken < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:indruk CBE:wekken < iets te moeten doen >
zal+idee+krijgen, 2:
	iemand zal 0het L:idee BC:krijgen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:idee BC:krijgen < iets te willen doen >
zal+gevoel+hebben, 2:
	iemand zal 0het L:gevoel BE:hebben < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:gevoel BE:hebben < iets te willen doen >
zal+gevoel+geven, 3:
	iemand zal iemand 0het L:gevoel GV:geven < dat zij iets wil doen >
	iemand zal iemand 0het L:gevoel GV:geven < iets te doen >
zal+afspraak+maken, 2:
	iemand zal 0de L:afspraak DO:maken < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:afspraak DO:maken < om iets te doen >
zal+risico+lopen, 2:
	iemand zal 0het L:risico BE:lopen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:risico BE:lopen < om iets te doen >
zal+indruk+hebben, 2:
	iemand zal 0de L:indruk BE:hebben < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:indruk BE:hebben < iets te moeten doen >
zal+gevoel+krijgen, 2:
	iemand zal 0het L:gevoel BC:krijgen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:gevoel BC:krijgen < iets te willen doen >
zal+idee+hebben, 2:
	iemand zal 0het L:idee BE:hebben < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:idee BE:hebben < iets te willen doen >
	iemand zal 0het L:idee BE:hebben <dat zij iets gaat doen>
	iemand zal ^geen L:idee BE:hebben <wat er aan de hand is>
zal+winst+maken, 1:
	iemand zal  L:winst DO:maken
	iemand zal 0een L:winst DO:maken
zal+indruk+krijgen, 2:
	iemand zal 0de L:indruk GT:krijgen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:indruk GT:krijgen < iets te moeten doen >
zal+verlies+lijden, 1:
	iemand zal L:verlies BE:lijden
	iemand zal 0een *verlies lijden
zal+opdracht+geven, 2:
	iemand zal 0de L:opdracht GV:geven < om iets te doen >
	iemand zal iemand 0een L:opdracht GV:geven
zal+gevaar+lopen, 2:
	iemand zal 0het L:gevaar BE:lopen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:gevaar BE:lopen < om iets te doen >
zal+initiatief+nemen, 1:
	iemand zal L:initiatief DO:nemen
	iemand zal 0een L:initiatief DO:nemen
zal+bevel+krijgen, 2:
	iemand zal L:bevel GT:krijgen < om iets te doen >
	iemand zal 0het L:bevel GT:krijgen < om iets te doen >
zal+uitspraak+doen, 1:
	iemand zal 0een L:uitspraak DO:doen
	iemand zal L:uitspraak DO:doen
zal+dienst+weigeren, 1:
	iemand zal dienst weigeren
	iets zal dienst weigeren
zal+risico+nemen, 2:
	iemand zal 0het L:risico nemen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:risico nemen < om iets te doen >
zal+afspraak+hebben, 2:
	iemand zal 0de L:afspraak BE:hebben <dat zij iets gaat doen>
	iemand zal 0de L:afspraak BE:hebben <om iets te gaan doen>
zal+zich+tot+doel+stellen, 2:
	iemand zal zich iets tot doel stellen
	iemand zal zich tot doel stellen < om iets te doen >
zal+in+verhouding+tot+staan, 2:
	iets zal in ^geen verhouding  tot iets staan
	iets zal in verhouding tot iets staan
zal+indruk+geven, 3:
	iemand zal iemand 0de L:indruk GV:geven < dat zij iets wil doen >
	iemand zal iemand 0de L:indruk GV:geven < iets te doen >
zal+advies+geven, 2:
	iemand zal iemand L:advies GV:geven
	iemand zal iemand 0een L:advies GV:geven
zal+belofte+doen, 2:
	iemand zal iemand 0een L:belofte DO:doen
	iemand zal 0de L:belofte DO:doen < dat zij iets wil doen >
zal+passie+voor+hebben, 2:
	iemand zal L:passie voor iets BE:hebben
	iemand zal 0een L:passie voor iets BE:hebben
zal+aversie+tegen+hebben, 2:
	iemand zal L:aversie  tegen iemand BE:hebben
	iemand zal 0een L:aversie tegen iemand BE:hebben
zal+slag+leveren, 1:
	iemand zal L:slag DO:leveren
	iemand zal 0een L:slag DO:leveren
zal+kracht+geven, 3:
	iemand|iets zal iemand 0de L:kracht GV:geven < om iets te doen >
	iemand|iets zal iemand L:kracht GV:geven < om iets te doen >
zal+aanval+op+doen, 2:
	iemand zal 0een L:aanval  OIA:op iemand DO:doen
	iemand zal 0een L:aanval OIA:op iemand|iets DO:doen
zal+vermoeden+hebben, 2:
	iemand zal 0het L:vermoeden BE:hebben < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:vermoeden BE:hebben <dat zij iets gaat doen>
zal+de+deal+maken, 2:
	iemand zal de deal maken < dat zij iets wil doen >
	iemand zal de deal maken < om iets te doen >
zal+nut+hebben, 1:
	iets zal ^geen L:nut BE:hebben
	iemand zal L:nut BE:hebben
zal+de+nek+omdraaien, 2:
	iemand zal iemand de nek omdraaien
	iemand|iets zal iemand de nek omdraaien
zal+de+pretentie+hebben, 2:
	iemand zal de pretentie hebben < om iets te doen >
	iemand zal de *pretentie hebben < dat zij iets wil doen >
zal+de+suggestie+wekken, 2:
	iemand zal de *suggestie wekken < dat zij iets wil doen >
	iemand zal de suggestie wekken < iets te willen doen >
zal+genoegen+smaken, 2:
	iemand zal 0het L:genoegen BE:smaken < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0het L:genoegen BE:smaken <om iets te doen>
zal+college+geven, 1:
	iemand zal 0een L:college GV:geven
	iemand zal L:college GV:geven
zal+college+aan+geven, 2:
	iemand zal 0een L:college  aan iemand GV:geven
	iemand zal L:college  aan iemand GV:geven
zal+bevel+geven, 2:
	iemand zal L:bevel GV:geven < om iets te doen >
	iemand zal iemand 0een L:bevel GV:geven
	iemand zal 0het L:bevel GV:geven < om iets te doen >
zal+bevel+geven, 3:
	iemand zal iemand L:bevel GV:geven < om iets te doen >
	iemand zal iemand 0het L:bevel GV:geven < om iets te doen >
zal+voorrecht+hebben, 2:
	iemand zal 0het L:voorrecht BE:hebben < om iets te doen >
	iemand zal 0het L:voorrecht BE:hebben <om dit te mogen>
zal+abortus+plegen, 1:
	iemand zal 0een L:abortus DO:plegen
	iemand zal L:abortus DO:plegen
zal+hoop+hebben, 2:
	iemand zal 0de L:hoop BE:hebben < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:hoop BE:hebben < om iets te doen >
	iemand zal 0de L:hoop BE:hebben <dat het goed gaat komen>
zal+waardering+voor+tonen, 2:
	iemand zal  L:waardering OIA:voor iemand|iets DO:tonen
	iemand zal L:waardering  OIA:voor iemand DO:tonen
zal+winst+boeken, 1:
	iemand zal L:winst DO:boeken
	iemand zal 0een L:winst DO:boeken
zal+hoop+houden, 2:
	iemand zal 0de L:hoop ST:houden < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:hoop ST:houden < om iets te doen >
zal+hoop+krijgen, 2:
	iemand zal 0de L:hoop BC:krijgen < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:hoop BC:krijgen < om iets te doen >
zal+hoop+koesteren, 2:
	iemand zal 0de L:hoop BE:koesteren < dat zij iets wil doen >
	iemand zal 0de L:hoop BE:koesteren < om iets te doen >
zal+van+mening+lijken, 2:
	iemand zal L:[van mening] lijken <dat zij iets gaat doen>
	iemand zal iets L:[van mening] lijken
met+zijn, 1:
	met zijn <drieën>
	met =zijn <drieën>
zal+impact+op+hebben, 2:
	iets zal 0een L:impact op iets|iemand BE:hebben
	iemand zal L:impact op iets BE:hebben
zal+zich+in+de+kaart+laten+kijken, 1:
	iemand zal zich in de kaart laten kijken
	iemand zal zich in de kaart laten kijken
zal+aan+de+praat+krijgen, 2:
	iemand zal iets L:[aan de praat] CBC:krijgen
	iemand zal iets L:[aan de praat] CBC:krijgen
zal+van+slag+zijn, 1:
	iemand zal L:[van slag] BE:zijn
	iemand zal L:[van slag] BE:zijn
hier+en+nu, 0:
	hier en nu
	0het hier en nu
zal+succes+behalen, 1:
	iemand zal *succes behalen
	iemand zal 0een L:succes DO:behalen
zal+controle+over+hebben, 2:
	iemand zal L:controle over iets BE:hebben
	iemand zal L:controle over iets BE:hebben
zal+genoeg+van+krijgen, 2:
	iemand zal ^geen M:genoeg van iets BC:krijgen
	iemand zal M:genoeg van iets BC:krijgen
zal+onvermeld+laten, 2:
	iemand zal iets onvermeld laten
	iemand zal onvermeld laten <dat dat zo is>
zal+van+oordeel+lijken, 2:
	iemand zal iets L:[van oordeel] lijken
	iemand zal L:[van oordeel] lijken <dat dat zo is>
zal+onderscheid+tussen+maken, 2:
	iemand zal L:onderscheid OIA:tussen iets DO:maken
	iemand zal 0een L:onderscheid OIA:tussen iets DO:maken
zal+kans+op+zien, 2:
	iemand zal *kans OIA:op iets zien
	iemand zal L:kans OIA:op iets BE:zien
zal+op+één+oor+liggen, 1:
	iemand zal L:[op één oor] BE:liggen
	iemand zal L:[op één oor] BE:liggen
zal+willen+zeggen, 2:
	iets zal iets willen zeggen
	iets zal willen zeggen <dat dat waar is>
zal+het+met+eens+zijn, 2:
	iemand zal het OIA:met iets eens zijn
	iemand zal het com:[met] iemand eens zijn
****Light Verbs****
BE:	hebben	277
BE:	zijn	102
BE:	gaan	5
BE:	staan	39
BE:	voelen	2
BE:	zitten	14
BE:	liggen	21
BE:	doen	3
BE:	lopen	10
BE:	lijden	3
BE:	hechten	1
BE:	beleven	2
BE:	geven	1
BE:	maken	3
BE:	houden	1
BE:	ondervinden	3
BE:	huldigen	2
BE:	vertonen	2
BE:	stellen	1
BE:	vormen	2
BE:	smaken	2
BE:	genieten	2
BE:	verkeren	2
BE:	koesteren	4
BE:	vinden	1
BE:	zien	4
BE:	bestaan	1
BC:	komen	103
BC:	raken	65
BC:	gaan	142
BC:	geraken	5
BC:	krijgen	37
BC:	lopen	6
BC:	slaan	3
BC:	schieten	3
BC:	roepen	1
BC:	vallen	1
BC:	spatten	1
BC:	oplopen	1
BC:	vinden	1
BC:	wekken	1
BC:	geven	2
BC:	treden	3
BC:	vliegen	2
BC:	worden	3
BC:	springen	2
BC:	zijn	1
DO:	maken	82
DO:	lopen	2
DO:	doen	77
DO:	begaan	233
DO:	slaan	2
DO:	plegen	237
DO:	pakken	2
DO:	tonen	16
DO:	gaan	1
DO:	schoppen	2
DO:	nemen	23
DO:	treffen	6
DO:	houden	42
DO:	hebben	5
DO:	afleggen	5
DO:	spelen	4
DO:	uitbrengen	1
DO:	bouwen	1
DO:	schieten	1
DO:	wagen	3
DO:	vervullen	2
DO:	geven	16
DO:	volbrengen	1
DO:	voeren	23
DO:	stellen	8
DO:	afvuren	1
DO:	ondernemen	6
DO:	trekken	3
DO:	zetten	1
DO:	uitoefenen	7
DO:	aantekenen	1
DO:	leveren	11
DO:	uitdelen	1
DO:	besteden	1
DO:	verrichten	10
DO:	boeken	8
DO:	berokkenen	1
DO:	leggen	1
DO:	onderhouden	1
DO:	bekleden	3
DO:	vellen	2
DO:	brengen	2
DO:	uitspreken	1
DO:	baren	1
DO:	openen	1
DO:	inzetten	1
DO:	stichten	1
DO:	uithalen	3
DO:	laten	1
DO:	plaatsen	1
DO:	uitvoeren	1
DO:	flikken	1
DO:	uitkramen	1
DO:	voortbrengen	1
DO:	verzetten	1
DO:	behalen	1
DO:	bieden	2
CBE:	wekken	4
CBE:	hebben	15
CBE:	nemen	16
CBE:	zetten	9
CBE:	stellen	9
CBE:	krijgen	3
CBE:	steken	1
CBE:	laten	1
CBE:	leggen	2
CBE:	aanrichten	1
CBE:	helpen	1
CBE:	plaatsen	1
CBE:	vinden	1
CBE:	hebbem	1
CBE:	maken	1
CBE:	houden	2
CBE:	geven	1
LBT:	klap	4
LBT:	muilpeer	3
LBT:	oorveeg	1
LBT:	oorvijg	1
LBT:	douw	4
LBT:	opdoffer	1
LBT:	opdonder	1
LBT:	dreun	1
LBT:	mokerslag	1
LBT:	trap	5
LBT:	haal	3
LBT:	opflikker	3
LBT:	peer	3
LBT:	klets	3
LBT:	mep	3
LBT:	pats	3
LBT:	pets	3
LBT:	tik	3
LBT:	tikje	3
LBT:	duw	3
LBT:	zet	3
LBT:	zetje	3
LBT:	kus	3
LBT:	lik	3
LBT:	smak	3
LBT:	zoen	3
LBT:	afscheidskus	3
LBT:	kushandje	3
LBT:	french	3
LBT:	tongkus	3
LBT:	tongzoen	3
LBT:	doodskus	3
LBT:	nachtkus	3
LBT:	nachtzoen	3
LBT:	klapzoen	3
LBT:	smakker	3
LBT:	voetkus	3
LBT:	vredekus	3
LBT:	handkus	3
LBT:	judaskus	3
LBT:	zuigzoen	3
LBT:	por	3
LBT:	stoot	3
LBT:	schouderduw	3
LBT:	kontje	3
LBT:	bodycheck	3
LBT:	schop	3
LBT:	schot	3
LBT:	doodschop	3
LBT:	hakje	3
LBT:	knietje	3
LBT:	rechtse	3
LBT:	linkse	3
LBT:	uppercut	3
LBT:	high-five	3
LBT:	hug	3
LBT:	box	3
GT:	krijgen	127
GT:	verwerven	4
GT:	vragen	3
GT:	ontvangen	1
GT:	verkrijgen	1
GT:	nemen	1
CBC:	nemen	4
CBC:	krijgen	14
CBC:	leggen	3
CBC:	brengen	118
CBC:	lokken	1
CBC:	wekken	2
CBC:	doen	3
CBC:	stellen	10
CBC:	snellen	1
CBC:	baren	1
CBC:	roepen	1
CBC:	schrijven	1
CBC:	jagen	1
CBC:	sturen	1
CBC:	zetten	4
CBC:	helpen	2
CBC:	drijven	1
CBC:	schuiven	1
CBC:	vragen	1
CBC:	trekken	1
CBC:	gooien	1
CST:	houden	77
GV:	geven	180
GV:	baren	1
GV:	verkopen	5
GV:	doen	9
GV:	bewijzen	1
GV:	besteden	1
GV:	toezwaaien	1
GV:	wensen	1
GV:	inboezemen	1
GV:	berokkenen	1
GV:	brengen	7
GV:	aanbieden	4
GV:	verlenen	3
GV:	aanjagen	2
GV:	bieden	2
GV:	schenken	2
GV:	verschaffen	1
GV:	uitdelen	2
ST:	blijven	36
ST:	houden	33
****Valency alternations****

zal+op+de+tenen+getrapt+zijn:
1/iemand zal op de tenen getrapt zijn
2/iemand zal <snel> op de  tenen getrapt zijn

zal+op+zijn+tenen+getrapt+zijn:
1/iemand zal op zijn tenen getrapt zijn
2/iemand zal <snel> op zijn tenen getrapt zijn

zal+aanstalten+maken:
1/iemand zal aanstalten maken
2/iemand zal aanstalten maken < om iets te doen >

zal+alle+zeilen+bijzetten:
1/iemand zal alle zeilen bijzetten
2/iemand zal alle zeilen bijzetten < om iets te doen >

zal+indruk+op+maken:
2/iemand zal 0een  L:indruk OIA:op iemand DO:maken
2/iemand zal L:indruk OIA:op iemand DO:maken

zal+fout+maken:
1/iemand zal 0een L:fout DO:maken
2/iemand zal 0de L:fout DO:maken < dat zij iets wil doen >

zal+er+doekjes+om+winden:
1/iemand zal er ^geen doekjes om winden
2/iemand zal er ^geen doekjes om winden <dat zij iets gaat doen>

zal+speld+tussen+te+krijgen+zijn:
0/0er  zal  ^geen speld tussen te krijgen zijn
1/0er zal ^geen speld tussen iets te krijgen zijn

zal+idee+hebben:
1/iemand zal ^geen L:idee BE:hebben
1/iemand zal 0een L:idee BE:hebben
2/iemand zal 0het L:idee BE:hebben < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:idee BE:hebben < iets te willen doen >
2/iemand zal 0het L:idee BE:hebben <dat zij iets gaat doen>
2/iemand zal ^geen L:idee BE:hebben <wat er aan de hand is>

zal+zin+hebben:
1/iemand zal  L:zin BE:hebben
1/iets zal L:zin BE:hebben
2/iemand zal L:zin BE:hebben < om iets te doen >

zal+geluk+hebben:
1/iemand zal L:geluk BE:hebben
2/iemand zal 0het L:geluk BE:hebben < dat zij iets wil doen >

zal+het+gortig+maken:
1/iemand zal het gortig maken
2/iemand zal het <al te> gortig maken

zal+gevoel+hebben:
1/iemand zal 0een L:gevoel BE:hebben
2/iemand zal 0het L:gevoel BE:hebben < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:gevoel BE:hebben < iets te willen doen >

zal+lef+hebben:
1/iemand zal L:lef BE:hebben
2/iemand zal 0het L:lef BE:hebben <om iets te doen>

zal+hout+snijden:
1/iets zal hout snijden
1/iets zal ^weinig hout snijden

zal+kwaad+doen:
1/iemand|iets zal ^geen kwaad doen
2/iemand zal iemand  L:kwaad DO:doen

zal+de+wacht+aanzeggen:
1/iemand zal de wacht aanzeggen
2/iemand zal iemand de wacht aanzeggen

zal+laten+vallen:
2/iemand zal iemand laten vallen
2/iemand zal iets laten vallen

zal+laten+zitten:
2/iemand zal iemand laten zitten
2/iemand zal iets laten zitten

zal+kunnen+bommen:
2/iets zal iemand ^niet kunnen bommen
3/iets zal iemand ^niet iets kunnen bommen

zal+cadeau+doen:
3/iemand zal iemand ^niet iets cadeau doen
3/iemand zal iemand iets cadeau doen

zal+parten+spelen:
1/iets zal parten spelen
2/iets zal iemand *parten spelen

zal+zorgen+baren:
1/iets zal L:zorgen CBC:baren
2/iets|iemand zal iemand L:zorgen GV:baren

zal+onder+stoelen+of+banken+steken:
2/iemand zal iets ^niet onder stoelen of banken steken
2/iemand zal ^niet onder stoelen of banken steken <dat zij iets gaat doen>

zal+in+staat+zijn:
1/iemand zal L:[in staat] BE:zijn
2/iemand zal in <vervallen> staat zijn

zal+in+de+gelegenheid+zijn:
1/iemand zal L:[in de gelegenheid] BE:zijn
2/iemand zal L:[in de gelegenheid] BE:zijn < om iets te doen >

zal+in+de+verleiding+komen:
1/iemand zal L:[in de verleiding] BC:komen
2/iemand zal L:[in de verleiding] BC:komen < om iets te doen >

zal+maatregel+nemen:
1/iemand zal 0een L:maatregel DO:nemen
2/iemand zal  0een L:maatregel DO:nemen < om iets te doen >

zal+maatregel+treffen:
1/iemand zal 0een L:maatregel DO:treffen
2/iemand zal 0een L:maatregel DO:treffen < om iets te doen >

zal+moeite+doen:
1/iemand zal L:moeite DO:doen
2/iemand zal L:moeite DO:doen < om iets te doen >

zal+met+uit+te+staan+hebben:
2/iemand zal ^niet met iemand uit te staan hebben
3/iemand zal ^niet iets  met iemand uit te staan hebben

zal+uit+zijn:
2/iemand zal  <duur> uit zijn
2/iemand zal uit iets zijn

zal+onder+zitten:
2/iemand zal onder iets zitten
2/iemand|iets zal onder <de uitslag> zitten

zal+op+het+punt+staan:
1/iemand zal L:[op het punt] BE:staan
2/iemand zal L:[op het punt] BE:staan <om iets te doen>

zal+op+zichzelf+staan:
1/iemand zal op zichzelf staan
1/iets zal op =zichzelf staan

zal+pech+hebben:
1/iemand zal L:pech BE:hebben
2/iemand zal 0de L:pech BE:hebben <dat hij ziek werd>

weet+veel:
1/+weet iemand veel
2/+weet iemand veel <of dat zo is>

zal+zijn+tenten+opslaan:
1/iemand zal zijn tenten opslaan
2/iemand zal ergens zijn tenten opslaan

zal+het+vertikken:
1/iemand zal het vertikken
2/iemand zal het vertikken <om iets te doen>

zal+de+scepter+zwaaien:
1/iemand zal de scepter zwaaien
2/iemand zal ergens de scepter zwaaien

zal+de+baas+worden:
1/iemand zal de baas worden
2/iemand zal iemand de baas worden

zal+de+geest+geven:
1/iemand zal de geest geven
1/iets zal de geest geven

zal+de+maat+nemen:
1/iemand zal de maat nemen
2/iemand zal iemand de maat nemen

zal+zich+een+slag+in+de+rondte:
1/iemand zal zich een slag in de rondte 0werken
2/iemand zal zich een slag in de rondte <lopen>

zal+besluit+nemen:
1/iemand zal 0een L:besluit DO:nemen
2/iemand zal 0het L:besluit DO:nemen < om iets te doen >

zal+eraan+komen:
1/iemand zal eraan komen
2/iemand zal eraan komen <fietsen>

zal+er+bij+kunnen:
1/iemand zal er bij kunnen
1/iemand zal er ^niet bij kunnen

ten+einde:
0/ten einde
1/ten einde <iets na te gaan>

ten+spijt:
0/ten spijt
1/iets ten spijt

zal+poging+doen:
1/iemand zal 0een L:poging DO:doen
2/iemand zal 0een L:poging DO:doen < om iets te doen >

zal+poging+wagen:
1/iemand zal 0een L:poging DO:wagen
2/iemand zal 0een L:poging DO:wagen < om iets te doen >

zal+ten+laste+leggen:
2/iemand zal iets ten laste leggen
3/iemand zal iemand iets ten laste leggen

ten+kantore:
0/ten kantore
1/ten kantore <Philppot>

zal+ten+voorbeeld+stellen:
2/iemand zal iemand|iets ten voorbeeld stellen
3/iemand zal iemand iemand ten voorbeeld stellen

zal+te+hulp+schieten:
1/iemand zal L:[te hulp] BC:schieten
2/iemand zal iemand L:[te hulp] BC:schieten

zal+in+de+weg+staan:
1/iemand zal L:[in de weg] BE:staan
2/iemand|iets zal iemand|iets L:[in de weg] BE:staan

zal+van+mening+zijn:
2/iemand zal L:[van mening] BE:zijn <dat dat waar is>
2/iemand zal L:[van mening] BE:zijn <dat zij iets gaat doen>
2/iemand zal iets L:[van mening] BE:zijn

zal+van+oordeel+zijn:
2/iemand zal L:[van oordeel] BE:zijn <dat dat waar is>
2/iemand zal iets L:[van oordeel] BE:zijn

zal+een+handje+helpen:
1/iemand zal een handje helpen
2/iemand zal iemand een handje helpen

zal+van+pas+komen:
1/iets zal L:[van pas] BC:komen
2/iets zal iemand L:[van pas] BC:komen

zal+in+beslag+nemen:
2/iets zal iets L:[in beslag] CBE:nemen
2/iemand zal iets L:[in beslag] CBE:nemen

zal+achter+liggen:
1/iemand zal L:[achter] liggen
2/iemand zal achter iemand liggen

zal+in+het+oog+springen:
1/iets zal in het oog springen
2/iets zal iemand in het oog springen

zal+indruk+geven:
2/iemand zal 0de L:indruk GV:geven < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:indruk GV:geven < iets te willen doen >
2/iemand zal 0een <goede> L:indruk GV:geven
3/iemand zal iemand 0de L:indruk GV:geven < dat zij iets wil doen >
3/iemand zal iemand 0de L:indruk GV:geven < iets te doen >

zal+indruk+wekken:
2/iemand zal 0de L:indruk CBE:wekken < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:indruk CBE:wekken < iets te moeten doen >

zal+idee+krijgen:
2/iemand zal 0het L:idee BC:krijgen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:idee BC:krijgen < iets te willen doen >

zal+gevoel+geven:
3/iemand zal iemand 0het L:gevoel GV:geven < dat zij iets wil doen >
3/iemand zal iemand 0het L:gevoel GV:geven < iets te doen >

zal+beslissing+nemen:
1/iemand zal 0een L:beslissing DO:nemen
2/iemand zal 0de L:beslissing DO:nemen < om iets te doen >

zal+recht+op+geven:
2/iets zal L:recht  op iets GV:geven
3/iets zal iemand L:recht op iets GV:geven

zal+pijn+doen:
1/iets zal L:pijn BE:doen
2/iemand zal iemand L:pijn GV:doen

zal+afspraak+maken:
1/iemand zal 0een L:afspraak DO:maken
2/iemand zal 0de L:afspraak DO:maken < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:afspraak DO:maken < om iets te doen >

zal+vraag+stellen:
1/iemand zal 0een L:vraag DO:stellen
2/iemand zal iemand 0een L:vraag DO:stellen

zal+risico+lopen:
1/iemand zal L:risico BE:lopen
2/iemand zal 0het L:risico BE:lopen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:risico BE:lopen < om iets te doen >

zal+indruk+hebben:
2/iemand zal 0de L:indruk BE:hebben < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:indruk BE:hebben < iets te moeten doen >

zal+zijn+steun+betuigen:
1/iemand zal zijn steun betuigen
2/iemand zal iemand zijn steun betuigen

zal+gevoel+krijgen:
2/iemand zal 0het L:gevoel BC:krijgen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:gevoel BC:krijgen < iets te willen doen >

zal+winst+maken:
1/iemand zal  L:winst DO:maken
1/iemand zal 0een L:winst DO:maken

zal+conclusie+trekken:
1/iemand zal 0een L:conclusie DO:trekken
2/iemand zal 0de L:conclusie DO:trekken < dat zij iets wil doen >

zal+indruk+krijgen:
2/iemand zal 0de L:indruk GT:krijgen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:indruk GT:krijgen < iets te moeten doen >

zal+verlies+lijden:
1/iemand zal L:verlies BE:lijden
1/iemand zal 0een *verlies lijden

zal+stap+nemen:
1/iemand zal 0een L:stap DO:nemen
2/iemand zal 0de L:stap DO:nemen < om iets te doen >

zal+opdracht+hebben:
1/iemand zal 0een L:opdracht BE:hebben
2/iemand zal 0de L:opdracht BE:hebben < om iets te doen >

zal+opdracht+geven:
1/iemand zal 0een L:opdracht GV:geven
2/iemand zal 0de L:opdracht GV:geven < om iets te doen >
2/iemand zal iemand 0een L:opdracht GV:geven
3/iemand zal iemand 0de L:opdracht GV:geven < om iets te doen >

zal+gevaar+lopen:
1/iemand zal L:gevaar BE:lopen
2/iemand zal 0het L:gevaar BE:lopen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:gevaar BE:lopen < om iets te doen >

zal+bezwaar+hebben:
1/iemand zal L:bezwaar BE:hebben
2/iemand zal 0het L:bezwaar BE:hebben < dat zij iets wil doen >

zal+antwoord+geven:
1/iemand zal L:antwoord DO:geven
2/iemand zal iemand L:antwoord GV:geven

zal+initiatief+nemen:
1/iemand zal L:initiatief DO:nemen
1/iemand zal 0een L:initiatief DO:nemen
2/iemand zal 0het L:initiatief DO:nemen < om iets te doen >

zal+een+verklaring+voor+geven:
2/iemand zal een verklaring voor iets geven
3/iemand zal iemand een verklaring voor iets geven

zal+begrip+voor+vragen:
2/iemand zal *begrip  voor iets vragen
3/iemand zal iemand *begrip voor iets vragen

zal+de+helpende+hand+bieden:
1/iemand zal de helpende hand bieden
2/iemand zal iemand de helpende hand bieden

zal+het+woord+vragen:
1/iemand zal het woord vragen
2/iemand zal iemand het woord vragen

zal+opdracht+krijgen:
1/iemand zal 0een L:opdracht GT:krijgen
2/iemand zal 0de L:opdracht GT:krijgen < om iets te doen >

zal+bevel+krijgen:
1/iemand zal 0een L:bevel GT:krijgen
2/iemand zal L:bevel GT:krijgen < om iets te doen >
2/iemand zal 0het L:bevel GT:krijgen < om iets te doen >

zal+zich+uitbreiden:
1/iets zal zich uitbreiden
2/iets zal zich ergens uitbreiden

zal+zich+verstoppen:
1/iemand zal zich verstoppen
2/iemand zal zich ergens verstoppen

zal+zich+neervlijen:
1/iemand zal zich neervlijen
2/iemand zal zich ergens neervlijen

zal+kans+geven:
2/iemand zal iemand 0een L:kans GV:geven
3/iemand zal iemand 0de L:kans GV:geven < om iets te doen >

zal+recht+doen:
1/iemand zal recht doen
2/iemand zal iets recht doen

zal+uitspraak+doen:
1/iemand zal 0een L:uitspraak DO:doen
1/iemand zal L:uitspraak DO:doen
2/iemand zal 0de L:uitspraak DO:doen < dat zij iets wil doen >

zal+de+helpende+hand+toesteken:
1/iemand zal de helpende hand toesteken
2/iemand zal iemand de helpende hand toesteken

zal+dienst+weigeren:
1/iemand zal dienst weigeren
1/iets zal dienst weigeren

zal+taak+hebben:
1/iemand zal 0een L:taak BE:hebben
2/iemand zal 0de L:taak BE:hebben < om iets te doen >

zal+commentaar+geven:
1/iemand zal L:commentaar DO:geven
2/iemand zal 0het L:commentaar geven < dat zij iets wil doen >

zal+zijn+toestemming+geven:
1/iemand zal zijn toestemming geven
2/iemand zal iemand zijn toestemming geven

zal+toestemming+hebben:
1/iemand zal L:toestemming BE:hebben
2/iemand zal L:toestemming BE:hebben < om iets te doen >

zal+risico+nemen:
1/iemand zal L:risico DO:nemen
2/iemand zal 0het L:risico nemen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:risico nemen < om iets te doen >

zal+idee+opperen:
1/iemand zal 0een L:idee opperen
2/iemand zal 0het L:idee opperen < om iets te doen >

zal+afspraak+hebben:
1/iemand zal 0een L:afspraak BE:hebben
2/iemand zal 0de L:afspraak BE:hebben <dat zij iets gaat doen>
2/iemand zal 0de L:afspraak BE:hebben <om iets te gaan doen>

zal+ambitie+hebben:
1/iemand zal L:ambitie BE:hebben
2/iemand zal 0de L:ambitie BE:hebben < om iets te doen >

zal+uit+de+weg+gaan:
1/iemand zal L:[uit de weg] BC:gaan
2/iemand zal iemand L:[uit de weg] BC:gaan

zal+in+de+weg+zitten:
1/iemand zal L:[in de weg] BE:zitten
2/iemand zal iemand L:[in de weg] BE:zitten

zal+de+tijd+geven:
2/iemand zal iemand de tijd geven
3/iemand zal iemand de tijd geven < om iets te doen >

zal+te+hulp+komen:
1/iemand zal L:[te hulp] BC:komen
2/iemand zal iemand L:[te hulp] BC:komen

zal+onder+de+aandacht+brengen:
2/iemand zal iets L:[onder de aandacht] CBC:brengen
3/iemand zal iemand iets L:[onder de aandacht] CBC:brengen

zal+zich+tot+doel+stellen:
2/iemand zal zich iets tot doel stellen
2/iemand zal zich tot doel stellen < om iets te doen >

zal+in+verhouding+tot+staan:
2/iets zal in ^geen verhouding  tot iets staan
2/iets zal in verhouding tot iets staan

zal+in+het+vooruitzicht+stellen:
2/iemand zal iets in het vooruitzicht stellen
3/iemand zal iemand iets in het vooruitzicht stellen

zal+het+doen:
1/iets zal het doen
2/iemand|iets zal het <goed> doen

zal+in+onderpand+geven:
2/iemand zal iets in onderpand geven
3/iemand zal iemand iets in onderpand geven

zal+in+beheer+geven:
2/iemand zal iets in beheer geven
3/iemand zal iemand iets in beheer geven

zal+zijn+kans+schoon+zien:
1/iemand zal zijn kans schoon zien
2/iemand zal zijn kans schoon zien < om iets te doen >

zal+duidelijk+maken:
2/iemand zal iets *duidelijk maken
3/iemand zal iemand iets *duidelijk maken

zal+ruimte+geven:
2/iemand zal iemand *ruimte geven
3/iemand zal iemand 0de *ruimte geven < om iets te doen >

zal+toestemming+geven:
2/iemand zal toestemming geven < om iets te doen >
3/iemand zal iemand toestemming geven < om iets te doen >

zal+advies+geven:
2/iemand zal iemand L:advies GV:geven
2/iemand zal iemand 0een L:advies GV:geven
3/iemand zal iemand 0het L:advies GV:geven < om iets te doen >

zal+advies+vragen:
1/iemand zal L:advies GT:vragen
2/iemand zal iemand L:advies GT:vragen

zal+voorstel+doen:
1/iemand zal 0een L:voorstel DO:doen
2/iemand zal iemand 0een L:voorstel DO:doen

zal+hoop+geven:
2/iemand zal iemand L:hoop GV:geven
3/iemand zal iemand 0de L:hoop GV:geven < dat zij iets wil doen >

zal+schade+berokkenen:
1/iemand zal L:schade DO:berokkenen
2/iets zal iemand schade berokkenen

zal+moed+geven:
2/iemand zal iemand L:moed GV:geven
3/iemand zal iemand 0de L:moed GV:geven < om iets te doen >

zal+de+reddende+hand+bieden:
1/iemand zal de reddende hand bieden
2/iemand zal iemand de reddende hand bieden

zal+belofte+doen:
2/iemand zal iemand 0een L:belofte DO:doen
2/iemand zal 0de L:belofte DO:doen < dat zij iets wil doen >
3/iemand zal iemand 0de L:belofte DO:doen < dat zij iets wil doen >

zal+aanleiding+geven:
2/iemand zal 0de L:aanleiding BE:geven < om iets te doen >
3/iemand zal iemand L:aanleiding GV:geven < om iets te doen >

zal+aanleiding+tot+geven:
2/iets zal  L:aanleiding tot iets BC:geven
3/iemand zal iemand L:aanleiding tot iets GV:geven

zal+inspiratie+geven:
2/iemand zal iemand L:inspiratie GV:geven
3/iemand zal iemand 0de L:inspiratie GV:geven < om iets te doen >

zal+te+pas+komen:
1/iets zal te pas komen
2/iets zal iemand te pas komen

zal+genoeg+de+tijd+krijgen:
1/iemand zal genoeg de tijd krijgen
2/iemand zal genoeg de tijd krijgen < om iets te doen >

zal+passie+voor+hebben:
2/iemand zal L:passie voor iets BE:hebben
2/iemand zal 0een L:passie voor iets BE:hebben

zal+aversie+tegen+hebben:
2/iemand zal L:aversie  tegen iemand BE:hebben
2/iemand zal 0een L:aversie tegen iemand BE:hebben

zal+slag+leveren:
1/iemand zal L:slag DO:leveren
1/iemand zal 0een L:slag DO:leveren

zal+kracht+hebben:
1/iemand zal L:kracht BE:hebben
2/iemand zal 0de L:kracht BE:hebben < om iets te doen >

zal+kracht+geven:
2/iemand|iets zal iemand L:kracht GV:geven
3/iemand|iets zal iemand 0de L:kracht GV:geven < om iets te doen >
3/iemand|iets zal iemand L:kracht GV:geven < om iets te doen >

zal+verzoek+doen:
1/iemand zal 0een L:verzoek DO:doen
2/iemand zal 0het L:verzoek DO:doen < om iets te doen >

zal+excuses+aanbieden:
1/iemand zal L:excuses GV:aanbieden
2/iemand zal iemand L:excuses GV:aanbieden

zal+het+groene+licht+geven:
1/iemand zal het groene licht geven
2/iemand zal iemand het groene licht geven

zal+aanval+op+doen:
2/iemand zal 0een L:aanval  OIA:op iemand DO:doen
2/iemand zal 0een L:aanval OIA:op iemand|iets DO:doen

zal+voorrang+verlenen:
1/iemand zal L:voorrang GV:verlenen
2/iemand zal iemand L:voorrang GV:verlenen

zal+voorrang+geven:
1/iemand zal L:voorrang GV:geven
2/iemand zal iemand L:voorrang GV:geven

zal+korting+geven:
1/iemand zal L:korting geven
2/iemand zal iemand L:korting geven

zal+oproep+doen:
1/iemand zal 0een L:oproep DO:doen
2/iemand zal 0de L:oproep DO:doen < om iets te doen >

zal+vermoeden+hebben:
2/iemand zal 0het L:vermoeden BE:hebben < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:vermoeden BE:hebben <dat zij iets gaat doen>

zal+de+deal+maken:
2/iemand zal de deal maken < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal de deal maken < om iets te doen >

zal+nut+hebben:
1/iets zal ^geen L:nut BE:hebben
1/iemand zal L:nut BE:hebben

zal+diagnose+stellen:
1/iemand zal 0een L:diagnose DO:stellen
2/iemand zal 0de L:diagnose DO:stellen < dat zij iets wil doen >

zal+standpunt+huldigen:
1/iemand zal 0een L:standpunt BE:huldigen
2/iemand zal 0het L:standpunt BE:huldigen < dat zij iets wil doen >

zal+angst+aanjagen:
1/iets zal L:angst GV:aanjagen
2/iemand zal iemand L:angst GV:aanjagen

zal+ontdekking+doen:
1/iemand zal 0een L:ontdekking DO:doen
2/iemand zal 0de L:ontdekking DO:doen < dat zij iets wil doen >

zal+de+garantie+geven:
2/iemand zal de L:garantie DO:geven < dat zij iets wil doen >
3/iemand zal iemand de L:garantie GV:geven < dat zij iets wil doen >

zal+moed+hebben:
1/iemand zal L:moed BE:hebben
2/iemand zal 0de L:moed BE:hebben < om iets te doen >

zal+bescherming+bieden:
1/iets zal *bescherming bieden
2/iets zal iemand *bescherming bieden

zal+de+nek+omdraaien:
2/iemand zal iemand de nek omdraaien
2/iemand|iets zal iemand de nek omdraaien

zal+de+pretentie+hebben:
2/iemand zal de pretentie hebben < om iets te doen >
2/iemand zal de *pretentie hebben < dat zij iets wil doen >

zal+voorbehoud+maken:
1/iemand zal 0een L:voorbehoud DO:maken
2/iemand zal 0het L:voorbehoud DO:maken < dat zij iets wil doen >

zal+de+suggestie+wekken:
2/iemand zal de *suggestie wekken < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal de suggestie wekken < iets te willen doen >

zal+voorspelling+doen:
1/iemand zal 0een L:voorspelling DO:doen
2/iemand zal 0de L:voorspelling DO:doen < dat zij iets wil doen >

zal+voorlichting+geven:
1/iemand zal L:voorlichting GV:geven
2/iemand zal iemand L:voorlichting GV:geven

zal+genoegen+smaken:
2/iemand zal 0het L:genoegen BE:smaken < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0het L:genoegen BE:smaken <om iets te doen>

zal+instructie+geven:
1/iemand zal 0een L:instructie GV:geven
2/iemand zal 0de L:instructie GV:geven < om iets te doen >

zal+college+geven:
1/iemand zal 0een L:college GV:geven
1/iemand zal L:college GV:geven

zal+college+aan+geven:
2/iemand zal 0een L:college  aan iemand GV:geven
2/iemand zal L:college  aan iemand GV:geven

zal+goedkeuring+krijgen:
1/iemand zal  *goedkeuring krijgen
2/iemand zal *goedkeuring krijgen < om iets te doen >

zal+voldoening+geven:
1/iets zal *voldoening geven
2/iets zal iemand *voldoening geven

zal+bevel+geven:
1/iemand zal 0een L:bevel GV:geven
2/iemand zal L:bevel GV:geven < om iets te doen >
2/iemand zal iemand 0een L:bevel GV:geven
2/iemand zal 0het L:bevel GV:geven < om iets te doen >
3/iemand zal iemand L:bevel GV:geven < om iets te doen >
3/iemand zal iemand 0het L:bevel GV:geven < om iets te doen >

zal+mandaat+krijgen:
1/iemand zal 0een *+mandaat krijgen
2/iemand zal mandaat krijgen < om iets te doen >

zal+richting+geven:
1/iemand zal richting geven
2/iemand zal iemand richting geven

zal+beurt+krijgen:
1/iemand zal 0een *+beurt krijgen
2/iemand zal 0de *+beurt krijgen < om iets te doen >

zal+aankondiging+doen:
1/iemand zal 0een L:aankondiging DO:doen
2/iemand zal 0de L:aankondiging DO:doen < dat zij iets wil doen >

zal+de+fles+geven:
1/iemand zal de fles geven
2/iemand zal iemand de fles geven

zal+voorrecht+hebben:
2/iemand zal 0het L:voorrecht BE:hebben < om iets te doen >
2/iemand zal 0het L:voorrecht BE:hebben <om dit te mogen>

zal+discipline+hebben:
1/iemand zal L:discipline BE:hebben
2/iemand zal 0de L:discipline BE:hebben < om iets te doen >

zal+abortus+plegen:
1/iemand zal 0een L:abortus DO:plegen
1/iemand zal L:abortus DO:plegen

zal+onthulling+doen:
1/iemand zal 0een L:onthulling DO:doen
2/iemand zal 0de L:onthulling DO:doen < dat zij iets wil doen >

zal+fatsoen+hebben:
1/iemand zal L:fatsoen BE:hebben
2/iemand zal 0het L:fatsoen BE:hebben < om iets te doen >

zal+hoop+hebben:
1/iemand zal L:hoop BE:hebben
2/iemand zal 0de L:hoop BE:hebben < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:hoop BE:hebben < om iets te doen >
2/iemand zal 0de L:hoop BE:hebben <dat het goed gaat komen>

zal+de+duimschroeven+aandraaien:
1/iemand zal de duimschroeven aandraaien
2/iemand zal iemand de duimschroeven aandraaien

zal+notitie+maken:
1/iemand zal 0een L:notitie DO:maken
2/iemand zal 0de L:notitie DO:maken < dat zij iets wil doen >

zal+interesse+hebben:
1/iemand zal  L:interesse BE:hebben
2/iemand zal L:interesse BE:hebben < om iets te doen >

zal+waardering+voor+tonen:
2/iemand zal  L:waardering OIA:voor iemand|iets DO:tonen
2/iemand zal L:waardering  OIA:voor iemand DO:tonen

zal+bewijs+leveren:
1/iemand zal 0een L:bewijs DO:leveren
2/iemand zal 0het L:bewijs DO:leveren < dat zij iets wil doen >

zal+fout+begaan:
1/iemand zal 0een L:fout DO:begaan
2/iemand zal 0de L:fout DO:begaan < dat zij iets wil doen >

zal+winst+boeken:
1/iemand zal L:winst DO:boeken
1/iemand zal 0een L:winst DO:boeken

zal+poging+ondernemen:
1/iemand zal 0een L:poging DO:ondernemen
2/iemand zal 0een L:poging DO:ondernemen < om iets te doen >

zal+taak+krijgen:
1/iemand zal 0een L:taak GT:krijgen
2/iemand zal 0de L:taak GT:krijgen < om iets te doen >

zal+instructie+hebben:
1/iemand zal 0een L:instructie BE:hebben
2/iemand zal 0de L:instructie BE:hebben < om iets te doen >

zal+instructie+krijgen:
1/iemand zal 0een L:instructie GT:krijgen
2/iemand zal 0de L:instructie GT:krijgen < om iets te doen >

zal+voldoening+schenken:
1/iets zal *voldoening schenken
2/iets zal iemand *voldoening schenken

zal+hoop+houden:
1/iemand zal L:hoop ST:houden
2/iemand zal 0de L:hoop ST:houden < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:hoop ST:houden < om iets te doen >

zal+hoop+krijgen:
1/iemand zal L:hoop BC:krijgen
2/iemand zal 0de L:hoop BC:krijgen < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:hoop BC:krijgen < om iets te doen >

zal+hoop+koesteren:
1/iemand zal L:hoop BE:koesteren
2/iemand zal 0de L:hoop BE:koesteren < dat zij iets wil doen >
2/iemand zal 0de L:hoop BE:koesteren < om iets te doen >

zal+interesse+tonen:
1/iemand zal  L:interesse DO:tonen
2/iemand zal L:interesse DO:tonen < om iets te doen >

zal+mandaat+hebben:
1/iemand zal 0een *+mandaat hebben
2/iemand zal 0het L:mandaat hebben < om iets te doen >

zal+bezwaar+maken:
1/iemand zal L:bezwaar DO:maken
2/iemand zal 0het L:bezwaar DO:maken < dat zij iets wil doen >

zal+initiatief+tonen:
1/iemand zal L:initiatief DO:tonen
2/iemand zal 0het L:initiatief DO:tonen < om iets te doen >

zal+commentaar+hebben:
1/iemand zal L:commentaar BE:hebben
2/iemand zal 0het L:commentaar BE:hebben < dat zij iets wil doen >

zal+commentaar+krijgen:
1/iemand zal L:commentaar GT:krijgen
2/iemand zal 0het L:commentaar GT:krijgen < dat zij iets wil doen >

zal+toestemming+krijgen:
1/iemand zal L:toestemming GT:krijgen
2/iemand zal L:toestemming GT:krijgen < om iets te doen >

zal+in+de+verleiding+raken:
1/iemand zal L:[in de verleiding] BC:raken
2/iemand zal L:[in de verleiding] BC:raken < om iets te doen >

zal+in+de+verleiding+zijn:
1/iemand zal L:[in de verleiding] BE:zijn
2/iemand zal L:[in de verleiding] BE:zijn < om iets te doen >

zal+van+mening+lijken:
2/iemand zal L:[van mening] lijken <dat zij iets gaat doen>
2/iemand zal iets L:[van mening] lijken

met+zijn:
1/met zijn <drieën>
1/met =zijn <drieën>

zal+impact+op+hebben:
2/iets zal 0een L:impact op iets|iemand BE:hebben
2/iemand zal L:impact op iets BE:hebben

zal+zich+in+de+kaart+laten+kijken:
1/iemand zal zich in de kaart laten kijken
1/iemand zal zich in de kaart laten kijken

zal+aan+de+praat+krijgen:
2/iemand zal iets L:[aan de praat] CBC:krijgen
2/iemand zal iets L:[aan de praat] CBC:krijgen

zal+van+slag+zijn:
1/iemand zal L:[van slag] BE:zijn
1/iemand zal L:[van slag] BE:zijn

hier+en+nu:
0/hier en nu
0/0het hier en nu

zal+rekenschap+verschuldigd+zijn:
1/iemand zal *rekenschap verschuldigd zijn
2/iemand zal iemand *rekenschap verschuldigd zijn

zal+succes+behalen:
1/iemand zal *succes behalen
1/iemand zal 0een L:succes DO:behalen

zal+informatie+geven:
1/iemand zal L:informatie GV:geven
2/iemand zal iemand L:informatie GV:geven

zal+controle+over+hebben:
2/iemand zal L:controle over iets BE:hebben
2/iemand zal L:controle over iets BE:hebben

zal+genoeg+van+krijgen:
2/iemand zal ^geen M:genoeg van iets BC:krijgen
2/iemand zal M:genoeg van iets BC:krijgen

zal+onvermeld+laten:
2/iemand zal iets onvermeld laten
2/iemand zal onvermeld laten <dat dat zo is>

zal+van+oordeel+lijken:
2/iemand zal iets L:[van oordeel] lijken
2/iemand zal L:[van oordeel] lijken <dat dat zo is>

zal+in+de+weg+lopen:
1/iemand zal L:[in de weg] BE:lopen
2/iemand zal iemand L:[in de weg] BE:lopen

zal+onderscheid+tussen+maken:
2/iemand zal L:onderscheid OIA:tussen iets DO:maken
2/iemand zal 0een L:onderscheid OIA:tussen iets DO:maken

zal+te+hulp+springen:
1/iemand zal L:[te hulp] BC:springen
2/iemand zal iemand L:[te hulp] BC:springen

zal+gegevens+over+verstrekken:
2/iemand zal *gegevens over iets verstrekken
3/iemand zal iemand *gegevens over iets verstrekken

zal+gegevens+verstrekken:
1/iemand zal *gegevens verstrekken
2/iemand zal iemand *gegevens verstrekken

zal+kans+op+zien:
2/iemand zal *kans OIA:op iets zien
2/iemand zal L:kans OIA:op iets BE:zien

zal+trap+geven:
1/iemand zal 0een LBT:trap GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:trap GV:geven

zal+haal+geven:
1/iemand zal 0een LBT:haal GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:haal GV:geven

zal+klap+geven:
1/iemand zal 0een LBT:klap GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:klap GV:geven

zal+opflikker+geven:
1/iemand zal 0een LBT:opflikker GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:opflikker GV:geven

zal+peer+geven:
1/iemand zal 0een LBT:peer GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:peer GV:geven

zal+klets+geven:
1/iemand zal 0een LBT:klets GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:klets GV:geven

zal+mep+geven:
1/iemand zal 0een LBT:mep GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:mep GV:geven

zal+pats+geven:
1/iemand zal 0een LBT:pats GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:pats GV:geven

zal+pets+geven:
1/iemand zal 0een LBT:pets GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:pets GV:geven

zal+tik+geven:
1/iemand zal 0een LBT:tik GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:tik GV:geven

zal+tikje+geven:
1/iemand zal 0een LBT:tikje GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:tikje GV:geven

zal+duw+geven:
1/iemand zal 0een LBT:duw GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:duw GV:geven

zal+douw+geven:
1/iemand zal 0een LBT:douw GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:douw GV:geven

zal+zet+geven:
1/iemand zal 0een LBT:zet GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:zet GV:geven

zal+zetje+geven:
1/iemand zal 0een LBT:zetje GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:zetje GV:geven

zal+kus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:kus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:kus GV:geven

zal+lik+geven:
1/iemand zal 0een LBT:lik GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:lik GV:geven

zal+smak+geven:
1/iemand zal 0een LBT:smak GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:smak GV:geven

zal+zoen+geven:
1/iemand zal 0een LBT:zoen GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:zoen GV:geven

zal+afscheidskus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:afscheidskus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:afscheidskus GV:geven

zal+kushandje+geven:
1/iemand zal 0een LBT:kushandje GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:kushandje GV:geven

zal+french+kiss+geven:
1/iemand zal 0een LBT:french kiss GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:french kiss GV:geven

zal+tongkus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:tongkus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:tongkus GV:geven

zal+tongzoen+geven:
1/iemand zal 0een LBT:tongzoen GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:tongzoen GV:geven

zal+doodskus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:doodskus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:doodskus GV:geven

zal+nachtkus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:nachtkus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:nachtkus GV:geven

zal+nachtzoen+geven:
1/iemand zal 0een LBT:nachtzoen GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:nachtzoen GV:geven

zal+klapzoen+geven:
1/iemand zal 0een LBT:klapzoen GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:klapzoen GV:geven

zal+smakker+geven:
1/iemand zal 0een LBT:smakker GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:smakker GV:geven

zal+voetkus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:voetkus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:voetkus GV:geven

zal+vredekus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:vredekus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:vredekus GV:geven

zal+handkus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:handkus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:handkus GV:geven

zal+judaskus+geven:
1/iemand zal 0een LBT:judaskus GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:judaskus GV:geven

zal+zuigzoen+geven:
1/iemand zal 0een LBT:zuigzoen GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:zuigzoen GV:geven

zal+por+geven:
1/iemand zal 0een LBT:por GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:por GV:geven

zal+stoot+geven:
1/iemand zal 0een LBT:stoot GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:stoot GV:geven

zal+schouderduw+geven:
1/iemand zal 0een LBT:schouderduw GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:schouderduw GV:geven

zal+kontje+geven:
1/iemand zal 0een LBT:kontje GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:kontje GV:geven

zal+bodycheck+geven:
1/iemand zal 0een LBT:bodycheck GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:bodycheck GV:geven

zal+schop+geven:
1/iemand zal 0een LBT:schop GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:schop GV:geven

zal+schot+geven:
1/iemand zal 0een LBT:schot GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:schot GV:geven

zal+doodschop+geven:
1/iemand zal 0een LBT:doodschop GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:doodschop GV:geven

zal+hakje+geven:
1/iemand zal 0een LBT:hakje GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:hakje GV:geven

zal+knietje+geven:
1/iemand zal 0een LBT:knietje GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:knietje GV:geven

zal+rechtse+geven:
1/iemand zal 0een LBT:rechtse  GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:rechtse  GV:geven

zal+linkse+geven:
1/iemand zal 0een LBT:linkse  GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:linkse  GV:geven

zal+uppercut+geven:
1/iemand zal 0een LBT:uppercut GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:uppercut GV:geven

zal+high-five+geven:
1/iemand zal 0een LBT:high-five GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:high-five GV:geven

zal+hug+geven:
1/iemand zal 0een LBT:hug GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:hug GV:geven

zal+box+geven:
1/iemand zal 0een LBT:box GV:geven
2/iemand zal iemand 0een LBT:box GV:geven

zal+op+één+oor+liggen:
1/iemand zal L:[op één oor] BE:liggen
1/iemand zal L:[op één oor] BE:liggen

zal+willen+zeggen:
2/iets zal iets willen zeggen
2/iets zal willen zeggen <dat dat waar is>

zal+het+met+eens+zijn:
2/iemand zal het OIA:met iets eens zijn
2/iemand zal het com:[met] iemand eens zijn
